"Vader niet mijn wil, maar uw wil geschiede"
Mattheüs - Marcus - Lucas
Christus kent hier het hoogtepunt van zijn morele lijden. Zijn vervormd aangezicht, maar ook de getormenteerde natuur weerspiegelen zijn innerlijke strijd. Tussen deze stekelige boomstronken en bonkige rotsen, onder een vuil-roze maansikkel, reuzegroot dreigend, is Christus naar links geknield en vraagt de Vader om hulp en sterkte in deze ontzettende angst om wat gebeuren zal.
De monnik wordt zo bij het binnenkomen in het kloosterpand, direct geconfronteerd met de meest lijdende Christus.
Zijn vastklampende hand, zijn uitgerekte en naar beneden glijdende arm, voert naar een lichaam "zonder gestalte, zonder naam, als een worm, vormloos" (Isaïas 53).
In dit uur van vertwijfeling en verlatenheid slapen de drie besten van zijn volgelingen.
|