Een monnik dient, net als ieder ander mens, voortdurend gevormd te worden. Het gaat hierbij niet zozeer om het verwerven van kennis en inzicht, maar om een groeien naar innerlijke vrijheid zodat Christus in elk van ons tenvolle mens kan worden. Dit is een levenslang proces. Vooral in de beginjaren van het monniksleven (= het noviciaat) wordt bijzondere aandacht geschonken aan het zich eigen maken van de cisterciënzerlevenswijze die karakteristieke kenmerken in zich draagt, zoals bijvoorbeeld getijdengebed (Werk Gods), lectio divina, handenarbeid, persoonlijk gebed, eenzaamheid en gemeenschappelijk leven.
|
Tijdens het noviciaat mag geen middel onverlet worden gelaten om te onderscheiden of de novice door zijn deelname aan het monastieke leven een geestelijke groei doormaakt. Als hij werkelijk God zoekt, ijver heeft voor het Werk Gods, voor de gehoorzaamheid en de beproeving van zijn nederigheid en als hij bekwaam blijkt te zijn tot goede onderlinge relaties in een klimaat van eenzaamheid en stilte. (Constitutie 51)
Begonnen bij de intrede wordt de vorming heel het leven voortgezet. Zij behelst meerdere aspecten: humane, doctrinaire en spirituele. (Constitutie 45)
|